Les tien (10)
Tiende (10de) les
KOFFEETJE BIJ DE BUREN
— Goedemiddag, meneer Vermeer. Hoe gaat het met u?
— Dank u, heel goed. En met u?
— Ook goed, dank u. Gaat u zitten, alstublieft. Pardon, ik hoor dat mijn nichtje eraan komt.
— Hoi Hannie! Leuk je weer te zien. Je ziet er goed uit. Kom, ik stel je even voor. Dit is mijn nichtje, Hannie Schepers. En dit is meneer Vermeer.
— Leuk u te ontmoeten, meneer Vermeer. Hoe gaat het met u?
— Wilt u een kopje koffie, meneer Vermeer?
— Ja graag.
— Sterk of liever wat minder sterk? En wilt u suiker en melk?
— Niet te sterk, alstublieft. Eén klontje suiker en een scheutje melk.
— Zeg, meneer Vermeer, nog nieuws? Hoe gaat het met de zaken?
— Niet slecht, gelukkig. Ik kan niet klagen. En hoe gaat het bij u?
— Om eerlijk te zijn, niet zo goed.
— Jammer om te horen. Ik hoop dat het snel beter wordt.
— Dat hoop ik ook. Het komt vast wel goed. En hoe gaat het met uw neef Piet?
— Heel goed, dank u. Hij logeert nu bij zijn oom op de boerderij en hij heeft het daar erg naar zijn zin.