Урок 19 

LES NEGENTIEN (19)

Negentiende les

GETALLEN, TIJD EN DATUM

In het Nederlands is het eenvoudig om de tijd aan te geven. Voor hele uren gebruiken we uitdrukkingen als: het is één uur, twee uur, drie uur, enzovoort. Wanneer dat nodig is, kan men erbij zeggen of het om de ochtend, de middag of de avond gaat, bijvoorbeeld: acht uur ’s morgens of acht uur ’s avonds. Zo voorkomt men verwarring. Ook kan men zeggen: twaalf uur ’s middags of twaalf uur ’s nachts.

Bij officiële aankondigingen en in het openbaar vervoer gebruikt men vaak het vierentwintiguursysteem. In dat geval wordt negen uur ’s avonds aangeduid als eenentwintig uur en zes uur ’s avonds als achttien uur. De minuten worden direct na het uur genoemd, bijvoorbeeld: acht uur vijfenvijftig of twintig uur veertig.

In het dagelijks taalgebruik spreekt men anders over de tijd. Dan zegt men bijvoorbeeld: vijf over acht, tien over acht, kwart over acht, tien voor half negen, half negen, vijf over half negen, kwart voor negen, tien voor negen of precies negen uur.

Ook bij data gelden vaste uitdrukkingen. Zo kan men zeggen dat een persoon is geboren op zestien juli zestienhonderdzes en is overleden op vier oktober zestiennegenenzestig.


LES TWINTIG (20)

Twintigste les

DAGEN EN MAANDEN — VRAGEN NAAR DE TIJD

Kent U de namen van de dagen van de week? Dat zijn: zondag, maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag en zaterdag. Stel dat het vandaag woensdag is. Welke dag komt daarna?
Donderdag.
En de dag erna?
Vrijdag.
Welke dag was het gisteren?
Dinsdag.
En de dag daarvoor?
Maandag.

Maandag was mijn verjaardag.
Echt? Dan mag ik U alsnog feliciteren.
Dank U wel. Dat was dus op de achtste.

Aanstaande maandag is het de vijftiende. De maandag daarna is het de tweeëntwintigste. Kunt U nu ook de maanden van het jaar opnoemen?
Januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november en december.
Heel goed. En kunt U mij nu zeggen hoe laat het is?
Het is vijf minuten over twee. Mijn horloge loopt precies op tijd.