Урок 1
              Упражнения
 Ответы 

✅ Упражнение 1: Определи артикль (de / het)

  1. het gezin

  2. het kind

  3. de kat

  4. de hond

  5. het tapijt

  6. de man

  7. de laptop


 

✅ Упражнение 2: Вставь притяжательные местоимения

  1. Tom is mijn zoon.

  2. Sara is zijn moeder.

  3. Lisa is haar dochter.

  4. Dit is ons gezin.
    (потому что gezин — het-слово)

  5. Tom en Lisa zijn hun kinderen.


 

✅ Упражнение 3: Вставь форму zijn / hebben

  1. Ik ben Mark.

  2. Wij hebben een kat.

  3. Lisa is acht jaar.

  4. Tom en Lisa zijn onze kinderen.

  5. Ik ben de vader van Lisa.


 

✅ Упражнение 4: Порядок слов (глагол — на втором месте)

  1. Wij zitten thuis.

  2. Sara zit aan de tafel.

  3. Zijn zus staat bij het raam.


 

✅ Упражнение 5: Позиционные глаголы (zitten / liggen / staan)

  1. Tom ligt op het tapijt.

  2. Zijn zus staat bij het raam.

  3. Ik zit op de bank.


 

✅ Упражнение 6: Мини-перевод

  1. Моя семья. → Mijn gezin.

  2. У нас есть собака. → Wij hebben een hond.

  3. Его мать. → Zijn moeder.

  4. Мы дома. → Wij zijn thuis.