|
|
Аудио 30
- Ik zie de man in de tuin werken.
-
Hij hoort het kind een liedje zingen.
-
De moeder laat haar zoon de brief schrijven.
-
Ik zag hen gisteren naar huis lopen.
-
ik / hij
-
zie / zag
-
de / het / een
-
man / kind / zoon
-
in / naar
-
tuin / huis / brief
-
werken / zingen
-
hoort
-
liedje
-
moeder
-
laat
-
haar
-
schrijven / lopen
-
hen
-
gisteren
|